Een nieuwe dag breekt aan in het koninkrijk van Koning Bérenger de Eerste, een machtig en groot koninkrijk geleid door een machtige vorst. Althans zo was het 500 jaar geleden, vorig jaar, gisteren, vijf minuten geleden. Nu is zijn koninkrijk in verval, de Koning is in verval. De Koning is stervende. Alle tekenen wijzen er op, alle symptomen zijn overduidelijk aanwezig, het staat in de sterren. Iedereen weet het, iedereen beseft het, maar niet iedereen accepteert het. Ook de Koning niet. Hij bindt de strijd aan tegen de werkelijkheid, tegen het onvermijdelijke. Maar de Koning sterft, en wel aan het einde van de voorstelling. Zijn koninkrijk sterft met hem.
'De Koning sterft' dateert uit 1961, de periode waarin Ionesco meer politieke thema's bespeelt. Hij begint zijn toneelstukken op te bouwen rond centrale personages die een zekere psychologische en menselijke dimensie krijgen. De overige personages blijven, zoals voorheen, marionetten. In 'De Koning sterft' is, naast het ontbreken van menselijke communicatie, een ander hoofdthema uit Ionesco's oeuvre aan de orde : de dood, en meer bepaald de angst voor de dood. De dood wordt niet alleen gezien als de onvermijdelijke nederlaag die elke mens uiteindelijk lijdt, maar tevens als een symbool van de machteloosheid van de mens en van de illusie die elke vorm van macht steeds weer blijkt te zijn.